Nadat bepaald is over welke activiteiten de berekening plaatsvindt, volgt in stap 4 de beslissing welke emissies berekend gaan worden. Het belangrijkste onderscheid hierbij is dat tussen broeikasgassen (voor transport vooral CO2) en luchtvervuilende emissies (NOx, SO2, PM10). 

De uitstoot van CO2 is één op één afhankelijk van de brandstofconsumptie en van het koolstofgehalte van de brandstofsoort (benzine, diesel, LPG, kerosine, etc.). Het verminderen van het energiegebruik en de brandstofconsumptie gaat hand in hand met het beperken van de uitstoot van CO2. Omdat CO2 een lange levensduur heeft – meer dan zestig jaar! – verspreidt het zich over de hele atmosfeer. De klimaateffecten zijn dus niet afhankelijk van de plaats waar de uitstoot plaatsvindt.

In tegenstelling tot broeikasgassen hebben luchtvervuilende emissies een lokaal effect: hoe dichter bij mensen de uitstoot plaatsvindt, hoe schadelijker het effect. De belangrijkste effecten die optreden, zijn schade voor de gezondheid (zoals luchtwegaandoeningen, hart- en vaatziekten en kanker) en schade aan landbouw, natuur en gebouwen.