De emissies tijdens de opslag van goederen worden veroorzaakt door het gebruik van energie voor het verwarmen of koelen van de opslagruimte. Soms worden ook gassen gebruikt voor het bewaren van goederen. Koelsystemen maken meestal gebruik van elektriciteit, terwijl voor de verwarming van opslagruimtes verschillende energiedragers worden gebruikt zoals gas, stookolie of elektriciteit.

Het energiegebruik van opslagruimtes en distributiecentra wordt meestal berekend in kWh of MJ per m3. Het energiegebruik kan ook berekend worden per eenheid opslaglocatie, of, in geval van goederenstromen, per eenheid omzet in logistieke eenheden.
De emissies van de aangekochte elektriciteit kunnen berekend worden zoals eerder aan bod is gekomen in deze handreiking. Dit geldt ook voor het berekenen van CO2 en SO2 op basis van de gebruikte brandstof. Voor het berekenen van NOX en PM10 is informatie nodig over de uitstoot van deze emissies per verwarmingsinstallatie.

De toedeling aan klanten kan gebeuren op basis van het aandeel in het totaal aantal producten die door het distributiecentrum lopen, of op basis van het aandeel in de totale opslagcapaciteit per periode. Indien goederen ongeveer even lang in het distributiecentrum worden opgeslagen, zoals bij distributiecentra met snellopende producten wordt, voor de eerste methode gekozen. De tweede methode is aangewezen bij opslag over een langere periode en wordt uitgedrukt in het aandeel opslaglocaties per tijdseenheid.