Berekening van emissies van aangekochte elektriciteit (Scope 2)

Scope 2-emissies komen voor wanneer gebruik gemaakt wordt van elektrische voertuigen (bijvoorbeeld elektrisch spoorvervoer), elektrisch aangedreven materiaal voor interne logistiek en voor het verwarmen of koelen van distributiecentra. Zij worden als volgt berekend:

De emissiefactor is afhankelijk van de manier waarop de elektriciteit is opgewekt. Groene stroom zal bijvoorbeeld een lagere emissiefactor hebben dan elektriciteit uit een kolencentrale. De bronnen voor elektriciteitsproductie kunnen sterk verschillen per land en zelfs per leverancier. Een overzicht van bronnen die kunnen worden geraadpleegd voor deze emissiefactor is opgenomen in Annex E.

Voorbeeld

VeelVoorWeinig BV heeft een gekoeld distributiecentrum met een totale oppervlakte van 3.000 m2 en een volume van 18.000 m3. Sinds enkele jaren is er een beleid om het energiegebruik van dit distributiecentrum te verminderen door een aantal maatregelen waaronder het goed sluiten van deuren en poorten en leveranciers te verplichten om hun goederen voldoende gekoeld aan te leveren bij het distributiecentrum, en lichten uit te zetten als er geen personeel actief is.

Het jaarlijkse energiegebruik van het distributiecentrum bedroeg in 2008, 565.000 kWh.

Per geleverde kWh bedroeg de CO2 uitstoot van elektriciteitsproductie in Nederland in 2005, 387 gram CO2 per kWh. Deze factor wordt door VeelVoorWeinig BV voor deze toepassing jaarlijks niet aangepast om het effect van de maatregelen over de jaren te kunnen vergelijken.

De scope 2 uitstoot van CO2 van het distributiecentrum bedroeg in 2008:

565.000 kWh x 0,387 = 218.655 kg CO2

Omdat ook de doorstroom in goederen een invloed heeft op het elektriciteitsgebruik wordt ook de uitstoot van CO2 per ton goederen vergeleken.
 

Ondanks de stijging in omzet in ton, is VeelVoorWeinig BV er in geslaagd om ook de uitstoot van CO2 in absolute termen te verminderen en te besparen op energiekosten. 


Berekening van emissies eerder in de brandstofketen (Scope 3E)

Scope 3E-emissies zijn de emissies die vrijkomen bij de winning van grondstoffen en de productie van brandstoffen. Zij worden bij voorkeur als volgt berekend:

 De emissiefactor (scope 3E) wordt per type brandstof berekend. In deze methode is uitgegaan van het brandstofverbruik in liters. In sommige gevallen zal het brandstofverbruik echter beschikbaar zijn in het aantal MJ of kg, dit kan naar liters worden omgerekend met behulp van de omrekenfactoren in Annex D.

Wanneer het aantal verbrande liters brandstof niet bekend is, zullen eerst de scope 1- emissies, die hieronder behandeld worden, berekend moeten worden. Uit de scope 1 CO2-emissies kunnen vervolgens het aantal liters verbruikte brandstof als volgt worden berekend:

Ook hier geldt dat de emissiefactor (scope 1) verschillend is per brandstof en moet worden berekend per brandstoftype.

Het berekende aantal liters brandstof kan nu worden gebruikt om de scope 3E-emissies via bovenstaande methodiek te berekenen.

Evenals in Stap 5 wordt aangeraden de emissies verbonden aan de bouw van transportmiddelen en infrastructuur niet mee te nemen omdat deze bijdragen erg klein zijn. Hiermee worden de emissies beperkt tot emissies die vrijkomen bij de winning van grondstoffen, het transport en de productie van brandstoffen. Een overzicht van bronnen die kunnen worden geraadpleegd voor de emissiefactoren (scope 3E) is opgenomen in Annex E.