De meeste emissies van logistieke activiteiten worden veroorzaakt bij de omzetting van chemische energie van fossiele brandstoffen in warmte en mechanische energie.

Naast de emissies door verbranding van fossiele brandstoffen zijn er ook emissies door andere oorzaken. Deze zijn ofwel gerelateerd aan brandstoffen en smeermiddelen zoals het morsen en verdampen van motorbrandstoffen, koelmiddelen en motorolie, ofwel gerelateerd aan andere oorzaken: bijvoorbeeld de slijtage van banden, remschijven en wegdekken bij het wegtransport, en de slijtage van remvoeringen en bovenleidingen en stroomafnemers bij het spoorvervoer.

Dit gebeurt in een verbrandingsmotor van bijvoorbeeld een vrachtauto maar ook eerder in de energieketen bij de opwekking van energie in een elektriciteitscentrale. Een ander voorbeeld is de omzetting van aardolie in verschillende brandstoffen en andere chemische producten tijdens het raffinageproces.

In de loop van het hele proces van de winning van een primaire energievorm (bijvoorbeeld) tot het finale gebruik (bijvoorbeeld mechanische energie op de wielen van een vrachtwagen) is er energie nodig en gaat er energie verloren. Voorbeelden van energieverlies zijn de omzetting in warmte in plaats van mechanische energie in een verbrandingsmotor, of het elektriciteitsverlies in hoogspanningskabels.

Een overzicht van de verbrandingsemissies wordt hieronder gegeven.

CO2 is daarbij de meest voorkomende broeikasgas die in hoofdzaak door natuurlijke bronnen wordt uitgestoten. De door menselijk handelen uitgestoten CO2 komt voor 2/3 door het verbranden van fossiele brandstoffen en 1/3 door het gebruik van land. Fossiele brandstoffen zijn niet anders dan oude biomassa, zoals planten en dieren die in een periode van duizenden jaren is omgezet in brandstoffen als petroleum, kolen en gas.

Het probleem is dat de mensheid deze fossiele brandstoffen, die in een periode van miljoenen jaren zijn opgebouwd, versneld weer in de atmosfeer brengt onder de vorm van ondermeer CO2. CO2 blijft daarbij zeer lang in de atmosfeer (tot 100 à 200 jaar) vooraleer het opnieuw wordt opgenomen door planten en andere natuurlijke processen.

Omdat er meer CO2 en andere broeikasgassen in de atmosfeer worden gebracht dan er worden opgenomen, neemt de hoeveelheid ervan sinds de industriële revolutie sterk toe. Sinds 1730 is de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer met meer dan 37% gestegen, die van methaan (CH4) met 153% en van distikstofoxide (N2O) met 19%.

Stikstofoxides zijn voornamelijk het resultaat van de hoge temperatuur waardoor de in de lucht aanwezige stikstof zich verbindt met zuurstof. Dit komt voor in elke verbrandingsmotor en in het bijzonder in de straalmotoren van vliegtuigen.

Koolstofmonoxide, vluchtige organische stoffen en fijnstof zijn het gevolg van een onvolledige verbranding. Fijnstof wordt ook veroorzaakt door de slijtage van remvoeringen, wegdek, hoogspanningsleidingen, enz.

Om de invloed van de verschillende broeikasgassen te kunnen optellen, wordt gebruik gemaakt van de omrekening naar zogenoemde CO2-equivalenten.

De uitstoot van 1 eenheid distikstofoxide (N2O) staat gelijk aan 296 CO2-equivalenten en de uitstoot van 1 kg methaan (CH4) is gelijk aan 23 CO2-equivalenten.